zondag 10 januari 2016

Knellschuh, willst du mich heiraten? In: STAD Magazine (dec. 2015)




Overwintering in een Gronings stadsappartement

Bijna nooit meer keerden wij terug van foute damesvakanties op dito latten.
We zeiden dat nu we ons bijna nooit meer in deze sneeuwvolle kitsch
ophielden, we deze hobbel rustig konden nemen: zwarte piste.

Knellschuh, willst du mich heiraten?

Lazen we vanuit ons skiliftstoeltje op de betonnen sokkel van de langs
glijdende pilaar. Mijn praatgrage vriendin glimlachte ontroerd: wij de ranken
slanken begeerlijken, bijna nooit meer plaagden ons angsten, smetvrees en

verkeerde mannen. Bijna nooit meer zag je ons puur en liefdevol  
de verleidelijkste fouten maken. Fouten, het zijn de steigers die
de verbeeldingskracht stimuleren, zet ze op een voetstuk.

Knellschuh willst du mich heiraten?

Keer op keer op keer waren daar die onhandigste aller letters. Let wel
bijna nooit meer waren wij met minnaars dat wil zeggen bijna nooit
meer zag je ons nog appels aandragen. Laat staan een granaatappel.

Gewone seks was ons genoeg.

Bijna nooit meer zag je ons het hazenpad kiezen. Vooral bij ongrijpbare
of verbijsterende kwesties gingen we graag meta: denken over denken
praten over praten. Zo beteugelden we ons wensdenken.

Knelschuh willst du mir dein Jawort geben?

’s Avonds zeiden we tegen elkaar dat we kenners van onze fouten waren
geworden. Het maakte mijn vriendin onrustig, in haar stem bespeurde ik wrevel.
Kijk, zei ze, de dingen zelf: ski, spar, fout, minnaar, seks, we hebben ze uit-

gespeld, opgelost. Maar hoe hunker je en hoe hou je de herinnering
aan het hunkeren vast? Hoe hou je gewicht op de wegvluchtende dalski?
Ik dacht aan de man met zijn lichaam achter het mijne, mijn ski’s

tussen zijn ski’s, armen om mijn middel, adem, zijn tanden, en dan was daar
die perfecte Schneepflug. Later voerden we met onze aangescherpte zintuigen
de lastigste verkenningen uit, hij leerde mij alles over afgronden inkijken.

Ik herinner me zo goed de sierlijke parallelbogen waarmee hij afdaalde
onverwijld de zwartste piste nam. Tot die dagenraad en hij niet meer
op mij wachtte. Mijn lichaam herinnert zich alles, al die middagen

onze kraakheldere sporen in de sneeuw, de klare hemel en als een zucht
van opluchting de snik waarmee ik de volgende ochtend ontwaakte, mijn handen
voor mijn mond geslagen, mijn mond die Knellschuh, Knellschuh, Knellschuh deed.