dinsdag 17 oktober 2017

Recensie: Pierre Kemp - Het regent in de trompetten


Pierre Kemp - Wiel Kusters (ISBN 9789460040443)
Zenmeester Kemp
 
Een groot deel van Kemps gedichten ontstond in de trein. Bijna dertig jaar lang was hij ambtenaar bij de kolenmijn Laura en reisde in die hoedanigheid op en neer tussen Maastricht en Eijgelshoven. Je kunt je afvragen of die trein niet ook motor is geweest van de altijd korte gedichten. Daarnaast heeft hij aan dat forenzen waarschijnlijk zijn populariteit bij vrouwen en meisjes te danken. Zij zagen hem schrijven, die dunne, ontroerende man met dat altijd zwarte pak, die ook scabreuze gedichten kon schrijven én gedichten die wij nu milieubewust (avant la lettre dan) noemen: ‘ik eet geen eieren zonder zon,/eieren van de lopende band.’ (‘Eieren’)

Volgens Kemp is ‘Verbascum’ zijn eerste ‘moderne’ gedicht:

De dalen staan vol gouden torens. 
De lippen van God bewegen zich 
onder Zijn sterren 
en blazen slaap over de bloemen.

Afbeeldingsresultaat voor vantilt - pierre kemp
Hij schreef het in 1927. Het is modern, inderdaad, alleen al omdat je in zijn daaraan voorafgaande lyrischer (tachtiger-achtige) en expressionistischer periode bijvoorbeeld kunt lezen:

Alarm
 
Bons nu mijn donkere, dondrende klok 
En stuw het gebrom van uw bronzen schok 
In het diepe gegons en den schellenden schal, 
Die er is tot Zijn Roem nu overal!
 
"
(laatste strofe van vijftien)
 
Je ziet en leest meteen het verschil: een verfijnde, metaforische wijze van zeggen tegenover uitbundig rijmend, gezwollen taalgebruik met een boodschap.

‘Verbascum’ reikt verder. Het wil je niets voorzeggen, het wil je iets laten ontdekken. Het wil dat de je een avontuur aangaat. Met de woorden, met de taal, met de wind over de zwarte toortsen/de koningskaarsen/de bloemen. Met de adem van de wind/God ónder de sterren. Spinoza’s deus sive natura, God oftewel natuur. Het is zo ook een meditatief gedicht, het ik als vast centrum van waaruit je waarneemt, verdwijnt als het ware en maakt plaats voor het inzicht dat jijzelf nietig, niets bent, maar dat je je opgenomen mag voelen in het grotere geheel dat om je is. Je ziet een vergelijkbare gedachte terug in:

Excuse

 Ik ben niet gekomen om er te komen,
ik ben er maar zo’n beetje heengegaan,
omdat langs de weg zulke hoge bomen
boven zulke kleine bloempjes staan.
Maar nu ik hier sta, nu … ik erken,
dat ik werkelijk gekomen ben.

 
De nadruk is op het nu. Hoe maken we ons daar in deze tijd niet druk over. Het is ook het credo van de pelgrim van tegenwoordig: niet het doel is belangrijk, maar de weg zelf is het doel.
Toch was Kemp allerminst een zich aan filosofische bespiegelingen overgevende dichter. Zijn korte gedichten blijven met de voeten op de grond, juist als het dreigt filosofisch te worden:


Nachtstilte

Het is zo stil boven de planten,
boven de lage en boven de gerankten
en de lucht is alleen vol reuken
van ranonkelingen in de grote wei
Het is zo stil in de keuken
en de maan schijnt op een ei.

Geestig toch? Ja, hij scheert hier wel vlak langs de rijmdwang heen, maar die levert vervolgens wel wat op. En ja, het is een naïef gedicht, zoals hij er zo vele schreef. Maar toch, ik zou het gedicht ook geraffineerd willen noemen. En zeker ook op het ontroerend humoristische ervan willen wijzen. Een ware Zenmeester toont Kemp zich hier wat mij betreft, al zou hij misschien verontwaardigd uit zijn graf opstaan als hij zoiets over zichzelf moest lezen.

 In talloze gedichten maakt Kemp overvloedig gebruik van kleuren - hij was ook beeldend kunstenaar. Vooral het blauw en het rood zijn, soms zelfs gepersonifieerd, aanwezig: ‘Een groot blauw wandelt om de aarde/en ik wil mee, […]’ (‘Blauwte’). En: ‘Rood, waarom zijt gij geen wezen, niet vrouw, noch man,/maar dat ik toch mijn bleke handen geven kan?’ (‘Rood’).

Ook zijn dikwijls bizarre fantasie springt in het oog: ‘Nog altijd wil ik naakte jonge vrouwen/in vlaggen draaien en verzenden.’ (‘Expeditie’). We lezen over zijn eeuwig verlangen naar de kindheid: ‘Ik heb een kindertekening gehuurd/en woon daar nu in.’ (‘Kindertekening’). Over zijn liefde voor de muziek: ‘De la musique avant tout chose’ luidt een van de titels. Of over zijn altijd aanwezig besef van het tijdelijke, waarbij hij zich overigens regelmatig een diepere, maar toch grap veroorlooft : ‘De schoonheid van mijn lijk straalt al door mijn huid./Ik ga mij scheren! (‘Optimisme om de dood’).

Een groot deel van Kemps gedichten ontstonden in de trein. Bijna dertig jaar lang was hij ambtenaar bij de kolenmijn Laura en reisde in die hoedanigheid op en neer tussen Maastricht en Eijgelshoven. Je kunt je afvragen of die trein niet ook motor is geweest van de altijd korte gedichten. Daarnaast heeft hij aan dat forenzen waarschijnlijk zijn populariteit bij vrouwen en meisjes te danken. Zij zagen hem schrijven, die dunne, ontroerende man met dat altijd zwarte pak, die ook scabreuze gedichten kon schrijven én gedichten die wij nu milieubewust (avant la lettre dan) noemen: ‘ik eet geen eieren zonder zon,/eieren van de lopende band.’ (‘Eieren’)

Velen hebben zich gelukkig druk gemaakt over deze aanvankelijk zo moeilijk in een hokje te stoppen gedichten van deze dichter zó uit de periferie van ons land. Was Kemp maar een marginale, kleine dichter? Ik noem Van Duinkerken, Vestdijk (noemde hem moderner dan veel jeugd), Rodenko, Ekkers. Hun nog altijd lezenswaardige essays zijn te vinden op www.dbnl.org.
Vestdijk vergeleek Kemp met Achterberg. Rodenko stelde hem op een lijn met Gorter, Leopold, Nijhoff en eveneens Achterberg. Volgens Ekkers is Vestdijk sturend geweest in de receptie van Kemps poëzie.  De invloed van de door het niets gefascineerde Poets maudits, Baudelaire, Verlaine, Rimbaud op deze dichters is groot geweest. Kemp, hoewel misschien meer spiritueel van aard, raakt aan deze dichters als je het (Zen)gedicht ‘Finale’ bekijkt:

Er rest mij soms maar déze ene behoefte,
te rusten,
en met een bloem tussen mijn tenen
en een ring van zonlicht op een knie
niets te zijn.

In 1988 stelde T. van Deel een bloemlezing van beeldgedichten samen: Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief, naar het gelijknamige gedicht van Kemp.
En nu is er dan de ruime, thematisch geordende bloemlezing van Wiel Kusters (biograaf Kemp) en Ingrid Wijk. Zoals de dichter zelf graag zag, een brevier voor het dagelijks leven (achterflap). Ik kan wel stellen dat de samenstellers daar ruimschoots in zijn geslaagd, de bloemlezing telt zo’n 130 gedichten, de dichter schreef maar liefst 32 bundels. Het werk van Kemp werd in 1954 bekroond met de Poëzieprijs van de Gemeente Amsterdam, in 1956 met de Constantijn Huygensprijs en twee jaar later met de P.C. Hooftprijs. Tot 7 januari is er in het Bonnefantenmuseum in Maastricht een tentoonstelling te zien van zijn beeldend werk. Kemp was tevens een begenadigd beeldend kunstenaar.

Pierre Kemp - Het regent in de trompetten.
Gekozen door Wiel Kusters en Ingrid Wijk.
Uitgeverij Vantilt, Nijmegen. 166 blz. € 19,95

vrijdag 28 juli 2017

Het oog van de dichter - Recensie Anton Korteweg - 25 schilderijgedichten


25 Schilderijgedichten belicht



http://www.tzum.info/2017/07/recensie-anton-korteweg-oog-dichter/

‘Het oog van de dichter is een Musée imaginaire. De gedichten zijn de zaalteksten van de conservatoren. Mijn commentaar daarop is de tekst van de eigenwijze directeur in de catalogus. Het boek is een uitnodiging aan de lezer om, als een padvinder of rechercheur, een eigen denkbeeldig museum van zijn favoriete schilderijgedichten in te richten. Er is nog heel wat brood voor oog en hart te vinden.’ Aldus Anton Korteweg in zijn verantwoording van Het oog van de dichter.

Anton Korteweg, dichter van een stuk of twaalf bundels en oud-directeur van het Letterkundig Museum, kon zijn galerij niet beter aanbevelen dan met bovenstaande tekst. 43 bladzijden telt zijn verantwoording maar liefst, allemaal nodig om ons uit te leggen waarom hij zich toch genoodzaakt voelde af te wijken van zijn eigen strenge criterium: alleen echte schilderijgedichten opnemen. Want hij kon het gewoonweg niet laten en móest een aantal uitzonderingen maken. Aan humor heeft het Korteweg nog nooit ontbroken hetgeen ook moge blijken uit het ‘als late gepassioneerde beoefenaars’ van het genre beeldgedicht subtiel naast elkaar plaatsen van de dichters Joost Zwagerman (met ‘Jan van Eyck kon je mij niet geven’ bij het portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw) en Tom van Deel. Uiteraard verzuimt hij niet te melden dat Van Deel als docent moderne Nederlandse letterkunde het genre indertijd diepgaand heeft onderzocht. Maar uiteindelijk zocht hij naar gedichten waarin de dichter het schilderij als het ware naar zichzelf heeft toegebogen.

Door Kortewegs wat uit de hand gelopen liefde voor het beeldgedicht in het algemeen kunnen wij nu gelukkig Van Deels ragfijne gedicht ‘Fabel’ nog eens bewonderen, geplaatst naast die minstens zo ragfijne litho van Jeroen Henneman (die hier niet gekopieerd mag worden):

“Vlinder ziet een speld staan

vindt hem mooi want streng

niet doelloos doch standvastig.

Zij wil hem aan zich binden

dit eenzaam puntig wezen

[…]

‘Bang om zich te bezeren

[…]

volhardt de speld in staren

blijft stijf gesloten staan

als ik hier niet vandaan raak

grijpt het ons beiden aan.”

 

Hier komt nog zo’n prachtgedicht: ‘Meesterwerk’ van Jan Emmens, bij Rembrandts Saul en David:
 
“Wat nu de Saul van Rembrandt betreft,

mij ontbreekt het wel eens aan een tulband en iemand

die harp of harpsichord voor mij speelt,

aan een scepter en een bescheiden gordijn

waarmee ik tranen kan drogen.”

 
‘Hier wordt met ambtelijk, precies taalgebruik met understatements en ironische toevoegingen een mateloos, onbepaald, onstelpbaar verdriet opgeroepen waarin we nog kunnen geloven ook’, schrijft Korteweg. Hij noemt Emmens een poet’s poet en een dichter die geneigd is tot kleinspraak evenals, en hij noemt onder anderen Herzberg, Van Deel, Eijkelboom.

Zijn opmerking kon over zijn eigen teksten en gedichten gaan. Immers, die zijn to the point, feitelijk, strak geformuleerd, nuchter en zeer informatiedicht door verwijzingen, bronvermeldingen en samenvattende literatuurlijst. Bovendien interessant door wat hij onnavolgbaar over schilderij en kunstenaar, over gedicht en dichter heeft te zeggen. Hoe kijkt de dichter, is zijn vraag en als de meta-dichter die hij hier ook is, stuurt hij met vaste hand onze blik.

Naast veel belangwekkende (onder anderen Faverey, Jellema) neemt hij ook ‘oude’ (onder anderen Van Nijlen, Boutens) en populaire (onder anderen Herzberg , Heytze) dichters op. In totaal 25.

Sympathiek en vertederend vind ik tenslotte Kortewegs ontboezeming dat sommige musea voor hem ‘het huis van een meisje zijn met wie hij wat heeft’: Meisje met de parel (Vermeer) in het Mauritshuis: dat ze eindelijk eens op mij verliefd wordt; Meisje met de dode vogel (Zuid-Nederlandse school) in Brussels Museum voor Schone Kunsten: absoluut kinderverdriet; Meisje op rood tapijt (Casorati) in Gent: eenzaamheid van de puberteit; Idealbildnis einer Kurtisane (Veneto) in Frankfurt Städelsches Kunstinstitut als Flora: onweerstaanbare berekenende wulpsheid.

 Anton Korteweg – Het oog van de dichter, subtitel 25 schilderijgedichten belicht.

Distributie: Boekenbank en Ons Erfdeel vzw (België), Centraal Boekhuis (Nederland). Ook verkrijgbaar als e-book (ePub-formaat). 272 blz. € 35,--

http://www.tzum.info/2017/07/recensie-anton-korteweg-oog-dichter/

donderdag 8 juni 2017

Slagveldtoerisme, recensie dichtbundel Hilbrand Rozema



God is een ober in Portugal
Hilbrand Rozema (1971) is dichter en journalist. Zijn debuut, Paradijs, werd in 1997 genomineerd voor de C. Buddingh’- prijs. In 2000 verscheen Embargo, in 2003 Blauwe plekken en in 2008 Slagveldtoerisme (de laatste twee bij De Arbeiderspers). Waarom ik een dichtbundel uit 2008 bespreek? Simpel. Rozema is een christelijk dichter. Ik ben geïnteresseerd in de omgang van christelijke dichters met God. Mijn achtergrond is vergelijkbaar met die van Rozema. In mijn universum bleef God uiteindelijk zwijgen. Wellicht dat mijn uitzicht daarop minder beslagen zal zijn na lezing van Slagveldtoerisme.
Het eerste gedicht van de eerste afdeling ‘Begin’ zet meteen de toon
"Contactadvertentie
Ik zoek contact. Ziehier mijn advertentietekst."
En aan het eind van het gedicht
"Vroeger werd ik zelf nog wel gevonden.
Nu ben ik vaak weg. Meer weten? Ik ook […]"
We zijn gewaarschuwd. De overige gedichten uit deze afdeling behandelen de schooltijd totdat de ik op kamers gaat. Opgeruimde gedichten lijken het aanvankelijk, want hier en daar tonen ze zich met een verontrustend randje. Daarbinnen worden dingen overhoop gehaald die zich, althans door mij, niet altijd laten begrijpen of interpreteren. Dat overhoop halen gebeurt in bijvoorbeeld ‘Schoolplein’ overigens op vernuftige wijze: ‘Het knikkerspel hield de ronde momenten vast/van het onbekende: ons eigen jura en krijt/dat ons inhaalde.’
Rozema heeft veel gereisd, dat bleek ook al in zijn vroegere bundels. In de afdeling ‘Reizen’ van Slagveldtoerisme lezen we het poëticale gedicht ‘Woordvangen’ met als ambitie een woord te vangen dat ‘de stilte eromheen niet/verinneweert’. Treffend.
In de ook weer ogenschijnlijk luchtige reeks ‘De ober’ lees ik over de zelfhaat van de ik maar blijkt de ober van begin af aan liefdevol en barmhartig. Ik zoek naar het verband. Het laatste gedicht van deze afdeling ‘De ontklepeling’, over de torenklok van Workum die zijn klepel verloren zou hebben, is als motto Leonard Cohens Ring the bells that still can ring gevoegd. In dat gedicht begint haast ongemerkt het terugverlangen. Maar waarnaar?
Het universum van Rozema blijkt naarmate ik er verder in doordring vol existentieel ongemak. Behalve het poëticale gedicht, zie hierboven, vind ik geen aanwijzingen over de rol die de taal speelt bij het schrijven. De zeer heldere, vaak bijzonder originele beelden stapelen zich daarentegen op. Rozema is de bouwer die zich in de beelden lijkt te verliezen. Uiteindelijk wijst het overkoepelende thema van de bundel de weg. Ik vind het in gedicht 2 van ‘Ardennenoffensief’ (afdeling ‘Slagveldtoerisme’): ‘Van een uitgehard geluk is dit/ de definitie: je was verdwaald. Maar je kwam thuis.’ Het verlangen krijgt hier zijn concrete invulling. Het kan nauwelijks duidelijker.
Ik spoed mij naar de laatste afdeling ‘Gebroken lampen’. Ik wil persé weten hoe Rozema, zijn bundel eindigt. Hij is tenslotte een echte, christelijk dichter, een die soepel de prachtigste Bijbelcitaten in zijn teksten verwerkt. Prettig is dat hij het getuigen vermijdt, daardoor nergens irriteert. Het verbaasde me wel in een bundel die zo vol staat met twijfel, geen geloofstwijfel aan te treffen. Het is of Rozema’s geloofsovertuiging één ding is en de zwervende, door zelfhaat gekwelde dichter het andere – toch is hij beslist geen van de kudde afgedwaald schaap. Hoe dan ook, in ‘Gebroken lampen’ is sprake van een wedergeboorte, van een thuiskomst, van dichters die wegrijden na jeugdherinneringen te hebben opgehaald. Waar? In het Groningse Overschild, waar het kerkje stond dat generaties Rozema’s en andere verwanten onder zijn dak heeft thuis gebracht. De dichter zelf komt gelouterd uit de strijd en brengt
‘[…] voor elke dag mij hier gegeven/U hoger reiner loflied toe//en is hun nalatenschap mijn ruim/en is hun testament het skelet van mijn bestaan’.
Rozema’s poëzie is een integer en ontroerend verslag van een slagveldtoerist, in alle mogelijke interpretaties van het woord.
Jane Leusink
Hilbrand Rozema – Slagveldtoerisme. Arbeiderspers, Amsterdam. 106 blz.

http://www.tzum.info/2017/06/recensie-hilbrand-rozema-slagveldtoerisme/

maandag 1 mei 2017

Blijven en weggaan - Recensie dichtbundel Ineke Holzhaus



Op een onpersoonlijke manier persoonlijk

Het gaat veel over tuinen in de nieuwe bundel Blijven en weggaan van Ineke Holzhaus. In die tuinen ritselt het van vruchten, bloemen, vogels, slakjes en vele andere beestjes. Toch zijn we hier niet in de tuin van F. Harmsen van Beek en ook niet in die van Gerrit Kouwenaar (‘Liefste’). Misschien zijn we wel in die van de heilige Franciscus. In ‘Besloten tuin’:

Hij staat recht onder de vogels, benoemt
hun staart en zangtonen, zijn denken stroomt
de struik in die zomers zwarte bessen draagt
       geborduurd bloemvlies in het najaar, vleugels
       winden zich om hem heen, snavels kletsen
       gretig in zijn volière zonder gaas.

Vaststaat dat we in de ‘De tuin van Nolde’ terechtkomen. Over deze tuin bij het museum van beeldend kunstenaar Emil Nolde in Seebühl, Noord-Duitsland heeft Holzhaus de cyclus van vijf gedichten geschreven waarmee ze in 2015 de HofvijverPoëzieprijs won. In deze reeks laat ze Ada, Noldes partner aan het woord. Zij vertelt, als ware ze Nolde zelf, over deze op een kale wierde gelegen plek waar ‘een zekere hardheid van ons verwacht [wordt], van planten, vogels, de bewoners.’ Over Noldes schilderijen, en versmolten daarmee, over het landschap waar zij ontstonden, je kunt ook zeggen: dat zij in zekere zin schiepen, laat de dichter haar vertellen:
je vermoedt de zee, ruikt zout, zoals wanneer je
op een duin met de wind mee kijkt naar
een van zijn golvende zeegezichten.
Er is veel aardsheid, veel natuur, er zijn veel kunstenaars en hun werk in Blijven en weggaan. Er zijn ouders en grootouders, een kind. De dichter verwerkt – letterlijk – een leven, het hare. Er wordt veel gereisd. Herinneringen kleuren ervaringen, verlenen diepte aan belevenissen. De dichter ziet zichzelf gedubbeld of gespiegeld en nergens wordt dat nostalgisch of aanstellerig.
Holzhaus kan goed kijken en beeldend precies schrijven over de complexiteit daarvan. In ‘Gemeentemuseum’ bijvoorbeeld schrijft ze over de trap die voert naar een bovenlicht:
[…] wolken schuiven van je weg
als in een toverdoos met de zon mee, die
buiten bovenop de glaskap schijnt, helder
       kantelt het licht naar getemperd, geheime
       ingreep van de meester die ook na zijn dood
       de wolken op afstand laat bewegen.

Er is de mooie reeks ‘Blijven en weggaan, die ze samen met dichter en partner Willem van Toorn schreef. Er zijn de Haagse gedichten waarin Remco Campert klaagt over de trieste, trage gele tram en waarin Nijhoff de tram door zijn sonnetten stuurt. Gek genoeg figureren, samen met Campert en Nijhoff, ook versregels van Bertolt Brecht in dit gedicht ‘Aan de haven’: ‘B.B. die zich de vorm van de wolken beter herinnerde/dan het gezicht van zijn geliefde […]’


Holzhaus schuwt de actualiteit niet. In 2015 kwam de dramatische en sterk beeldende vluchtelingenstroom vanuit het Zuiden op gang. Koel, terloops en ingetogen verwerkt ze wat ze in de media ziet in haar gedichten. Ze vermijdt de diepe valkuil van het grote woord en het effectbejag dat zo veel zogenaamd geëngageerde poëzie aankleeft.

In ‘Meer van Ohrid’: ‘[…] zo drong op dat zachte water de radeloze wereld je regels/binnen als bij gedichten in vele talen bewaard.
In ‘Météo’: ‘we toetsten météo, stuitten op vluchtelingen/in boten, leerden hedendaagse woorden – /en morgen weer geen regen […]’
In ‘Blauw plastic zakje’: ‘Vluchtende schaduwen kopen niets voor versregels/waarin ik een blauw-wit gestreept zakje zie/oplichten met iets erin dat zal worden afgepakt[…] Mag ik het blauw beschrijven?’
Het werkt, het engagement van Ineke Holzhaus. Ze schrijft op een onpersoonlijke manier persoonlijk. Ze toont als een Kouwenaar.

Jane Leusink
Ineke Holzhaus – Blijven en weggaan. Azul Press. Amsterdam/Maastricht 2016. 55 blz. € 15,00




http://www.tzum.info/2017/04/recensie-ineke-holzhaus-blijven-en-weggaan/

zondag 2 april 2017

Lodewijk van Deyssel - Een liefde, recensie


Verboden vruchten is het thema van de Boekenweek (voor wie het nog mocht zijn ontgaan).
Verboden vruchten?
In 1887 verscheen bij Singel 260 in Amsterdam de roman Een liefde, het debuut van Lodewijk van Deyssel (1864-1952/pseudoniem van K.J.L. Alberdingk Thijm). In 1899 gevolgd door een, door Van Deyssel zwaar gekuiste, tweede druk. Met een uitgebreid nawoord van Harry G.M. Prick zag in 1974 de fotografische herdruk van de eerste druk het levenslicht, gered van de papierversnipperaar.

Een Liefde drijft op Van Deyssels interpretatie van het naturalisme: een realistische en doorvoelde weergave van de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid. Daarbij is van een vrije wil eigenlijk geen sprake, je stevent regelrecht af op je noodlot. Niet zo raar dus dat dit noodlot in die door negentiende-eeuwse mannen geschreven boeken vooral vrouwen treft. Van Deyssels priemende blik op zijn hoofdpersonage Mathilde vinden wij tegenwoordig voyeuristisch en vrouwonvriendelijk en is wat mij betreft nog altijd heftig en on- geëvenaard. Hij zet Mathilde neer als neurotisch, zwak en hysterisch, op het randje van krankzinnigheid. De, in het buitensporig lange dertiende hoofdstuk opgenomen gedetailleerde natuurbeschrijvingen, spiegel van de hypersensitieve geest van Mathilde, vonden zelfs zijn critici overdreven. Erotisch opwindend is het ondertussen allerminst.

Niet te vergelijken met wat wij (van de tweede feministische golf) aan uit vrouwenpen, dat wel, gevloeide erotica tot ons namen en nog nemen. Van Anaïs Nin tot Erica Jong en Judith Rossner. Van Lydia Rood tot nu Stella Bergsma. Van Stella Bergsma vraag ik me trouwens af hoe vrouwvriendelijk, maar ook hoe geïnspireerd op de Franse en onze eigen naturalisten de door haar zo deprimerend beschreven Werdegang van Eva van Liere eigenlijk is. Ook al put Bergsma zich nog zo uit in vooral door mannelijke recensenten hogelijkst gewaardeerde literaire woordkunst (en dan mag het kennelijk), het verhaaltje blijft dun, de seks uitsluitend expliciet.
Het is saillant dat Pussy album wat die woordkunst betreft goed lijkt aan te sluiten bij de loftuiting die Willem Kloos destijds aan Van Deyssel schreef: hij was stupéfait van Een liefde, diens nieuwe combinaties van klanken vond hij geschreven in het mooiste Hollands ooit. Ondertussen letten wij op Van Deyssels zelfcensuur, gemotiveerd overigens met (naast die van het onzedelijke) literaire argumenten. Zijn we in de kritiek wel iets opgeschoten?
Een liefde beschrijft onverbloemd en ‘objectief’ het huwelijk van Mathilde de Stuwen en Jozef van Wilden. Het veroorzaakte bij verschijnen een geweldige opwinding. Albert Verwey vond de roman mooi en onzedelijk. Frederik van Eeden omschreef het boek als hinderlijk, ergerlijk en stuitend (shocking), echter niet onzedelijk. Kloos noemde het onwelvoeglijk. De conservatieve verontwaardiging, critici van vóór de generatie van Tachtig, is door voorspelbaarheid en inkijkje in de mannelijke geest interessant. Geen goede porno, schrijft Taco Hajo de Beer in de Portefeuille. Het gaat allen, progressief of niet, dan vooral om de volgende passage:
Haar schrikkende handen grepen naar haar geslachtsdeel. Het slijm sapte uit haar openzijgende mond, heete trillingen ijlden in haar achterhoofd, haar geslachtsdeel spoog zijn wellustvocht in het stijve stugge hemd.
Ook anno 2017 niet fijn om te lezen. Van Deyssels vergaande naturalistische preoccupaties en stilistische experimenten waren hem ingegeven door de Franse schrijvers Zola en de gebroeders De Concourt, zoals bij veel andere Nederlandse collega’s destijds: Prins, Netscher, Emants, Couperus, maar dan verbloemd.
Mathilde kent de veel oudere, ik schat zo’n tien jaar, Jozef al vanaf haar derde en is close met hem. Haar moeder is dood en ze groeit op met haar lieve maar afstandelijke vader. Jozef leert haar van alles over piano spelen, schaken, dammen en kleren en is verrukt als zij een mooi groot meisje blijkt te worden. Voor de onvermijdelijke jongemeisjesvragen wendt ze zich tot deze ijdele, wereldwijze, bereisde, maar ook uiterst geduldige Jozef. Mathilde heeft geen vriendinnen, maar je krijgt de indruk dat ze ook geen idee heeft dat ze voor haar vragen ook een vrouw, bijvoorbeeld huishoudster Jans, had kunnen raadplegen. Foutje van de schrijver? Ik blijf er in elk geval van opkijken:
Maar was het een wonder, dat zij, […] toen vooral het al onherkenbaarder en onherkenbaarder worden van haar lichaam, met diktes aan haar borst en haartjes aan haar oksels en onder-aan haar buik, dat zij zaterdags in het badkamertje bekeek, haar bang maakte […] hém in ’t geheim had genomen en hem eerst met allerlei voorzorgen, daarna in allerlei bizonderheden, alles had verteld?
Ook hier typisch de blik van een man. Temeer als je gaandeweg het lezen beseft dat vrijwel uitsluitend Mathildes lichaam en geest onder Van Deyssels loep tot leven worden gebracht. Nergens die van Jozef. Ook niet als zij tijdens hun huwelijksreis voor één keer en in een bos zelf eens opgewonden van zijn lichaam raakt:
Zij rukte Jozefs kleêren open. Zij drukte hem neêr. Zij sloeg zijn armen om zijn rug, zij hechte zich aan hem vast, zij mondde haar lippen aan de zijnen en haar heete adem hijgde in hem over.
Uiteraard schaamt ze zich erna, al schrijft Van Deyssel dat veel indringender op dan ik hier doe. Wanneer Mathildes vader nog tijdens de huwelijksreis sterft, is de rouwperiode niet te overzien. Maar als ze daarna zwanger blijkt, bloeit haar liefde voor Jozef toch weer op. Hem laat dat inmiddels tamelijk onverschillig, hij zorgt wel goed voor zijn vrouw, blijft geduldig, maar de verwijdering is dan al een feit. Hij verveelt zich, leest ’s avonds eindeloos in het Handelsblad en als Mathilde wegzinkt in een diepe depressie, haar kind verwaarloost en overlaat aan kindermeid Marie, stuurt hij haar en het zoontje Felix met Marie naar het buitentje Bagatelle in Hilversum. Zelf blijft hij in Amsterdam en vermaakt zich daar na enige tijd alsof hij weer vrijgezel was. Is hij een enkele keer op Bagatelle dan drijft Marie’s lichaam hem tot machteloze razernij en, toegegeven, Van Deyssel voor één keer tot een staaltje klassiek show don’t tell. Want als het gaat om de beschrijving van Jozefs ‘uitstapje’ naar Marie gaat het immers om Mathildes reactie:
Zij [Mathilde-JL] ging langzaam, met stijve stappen, naar binnen. Haar armen hingen als houten, zij voelde zich hopeloos wegsterven. Toen zij onder aan de trap was, was Jozef bij haar, die van boven kwam, zonder schoenen, en zijn haar aan den eenen kant in de war. Hij keek haar aan en zag een vreemd zwart licht in haar oogen, die als scheel zagen. Hij was met Marie geweest, zij wist het.
Na een periode van ziekte en hevige koortsen komt Mathilde gelouterd en ontnuchterd voor het eerst weer buiten. Als ze eind oktober weer terug is in Amsterdam denkt ze aan de tijd op Bagatelle als aan een boze droom. Jozef hoeft ze niet steeds te zien, wel voelt ze een grote vriendschap voor hem. Het jaar daarna bevalt ze van een dochter.
Harry G.M. Prick heeft een uitgebreid, zeer lezenswaardig en informatief nawoord toegevoegd. Komisch ook waar hij schrijft dat Van Deyssel, in zijn drift om het verhaal van al te zwaar aangezet ‘naturalisme’ te ontdoen overal de korte, dikke vingers van Mathilde door lange slanke had vervangen. Immers, iemand die de Sonate Pathétique zo prachtig kan spelen als Mathilde moet wel pianovingers hebben.
Jane Leusink
Lodewijk van Deyssel – Een liefde. C.L. Brinkman, Amsterdam. 1887.

http://www.tzum.info/2017/03/recensie-lodewijk-deyssel-liefde/




vrijdag 10 februari 2017

Recensie Ester Naomi Perquin (nieuwe Dichteres des Vaderlands) - Meervoudig afwezig


Opgeruimde fietsenschuurtjes of onze piepende zielen in het hoge nest
Allereerst iets zeggen over onze nieuwe Dichter des Vaderlands Ester Naomi Perquin. Een dag na haar benoeming kwam ze al met het gedicht ‘Korte cursus’, waarin ze ons aanspoort net zo lang te blijven proberen tot we een zin te pakken hebben ‘die zich in je zeggen bleef.’ Ze wil schrijven over wat mensen raakt ‘rampen en verkiezingen voor zover die twee niet samenvallen.’ Ze zal een uitstekende dichteres van het vaderland worden. Laten we haar toch dichteres noemen.
In Meervoudig afwezig is ‘Aard’ niet alleen een heftig, maar ook eerlijk gedicht. Blij zijn met opgeruimde fietsenschuurtjes, het is ‘oppervlaktewater, leegte’. En dat allemaal:
Vanwege onze angst voor het geluk, onze ongemakkelijkheid
bij de terminologie. Onze minachting voor wie stralend
door het leven, elektrische hobby’s heeft,
[…]
onze obsessie met de feiten. Vanwege onze piepende zielen
in het hoge nest, kaal nog, onze neiging tot schuld
en zelfverwijten. Onze hemelwaarts gerichte ogen,
verpest door gemis, verpest door niet-aflatend staren
naar wat op geluk lijkt. Vanwege het geluk
dat het geluk volstrekt niet is.
Het is geen gemakkelijk universum dat Perquin ons voorschotelt. Taal schept werkelijkheid en het is maar net waar je de accenten legt, met welk point of view je kijkt, maar soms doet ze me denken aan een baron van Münchhausen: ze trekt zichzelf en het paard aan de haren uit het moeras. De haren zijn dan de ijzersterke (soms zelfs ietwat flauwe) humor waarmee ze het leven dapper te lijf gaat, overigens in eendrachtige samenwerking met de taal.
Ze is meer persoonlijk aanwezig in deze bundel dan in bijvoorbeeld Servetten halfstok en Celinspecties, vertelde ze in VPRO-boeken (15-1-2017). Dat is lef hebben voor een dichteres die erom bekend staat afstand te kunnen scheppen. Maar ze is er toch in geslaagd op een als het ware onpersoonlijke manier persoonlijk te schrijven, we hoeven niet bang te zijn voor het ongemakkelijke. De uiteenlopende en altijd huiselijke motieven van ‘ De delen’: wandeling, scheiding, therapie, doos, echtpaar, kind worden in ‘Het totale’ betekenisvol verbonden aan grote thema’s: schepping, God, vader, dood. Ze zijn alle ondergebracht in effectief rijmende verzen, vol assonantie en eindrijm. Zeer eigentijdse signaalwoorden vond ik grens, angst, eenzaam, oorlog, feiten, toekomst, vreemdelingen, dood.
Aan de titel Meervoudig afwezig ligt een anekdote ten grondslag, vertelde Perquin in hetzelfde tv-programma. In de dierentuin hoorde ze een meisje in een buggy roepen: kijk mam, olifanten. De moeder bevond zich echter via haar mobieltje zó op haar werk (waar van alles kwijt was) dat ze eigenlijk op beide plekken níet aanwezig was, bedacht Perquin in een vlaag van luciditeit.
Perfect sluit die aan op het gedicht: ‘Onze professor legde het nog één keer uit’, dat als Voorwoord van de bundel dient. De aard van onze afwezigheid valt immers niet waar te nemen, die is afhankelijk van ons verdwijnen, heet het in dat breinbrekerige gedicht. Waar nog bijkomt, voegt de professor eraan toe, dat dat ook geldt voor wat blijft, ook dat is (en zijn wij) vaak maar halfslachtige aanwezig. Zie de moeder hierboven, die je eigenlijk maar al te graag Jan Eijkelbooms Wat blijft komt niet terug ter lezing zou willen aanbevelen. Evenals de studenten die het eind van het college niet afwachten, maar alvast beginnen hun spullen in te pakken en hun mobieltjes aan te zetten. En alleen de verteller van het gedicht hoort de professor nog zeggen dat je juist in de delen het best het totale kunt zien:
Een olifant,’ zei hij nog zacht, ‘lijkt pas de olifant die hij
daadwerkelijk is wanneer u
wegens kijken door een sleutelgat
een groot deel van hem mist.
In het verrassende ‘Housekeeping’ komt de ‘ik’ terug in haar hotelkamer en merkt dat het gedicht waar ze die nacht aan begonnen was ‘[lag] afgemaakt/op de glazen tafel naast het bed//en in een mij onbekend handschrift waren de woorden gevonden/voor de naamloze leegte waarin ik nooit durfde blijven,/waaromheen ik grappend had bewogen, als iemand/die zijn eigen rustplaats meent te zien.// Het was beter dan wat ik ooit had kunnen schrijven, […]’. Het drama van het zichzelf bewuste ik verdwijnt achter de grap die ze maakt.
Mooie waarnemingskantelingen, een subtiel spel met de plaatsing van zinsdelen, zien we in ‘Nabeeld’, ‘Wij zijn er al’ en in het ontroerende ‘Een goede voorbereiding’. In ‘Conversatie’, treft me het humoristische gesprek met God. Als de ik in het gedicht zegt dat God er tóch niet is, zegt hij:
[…] ‘Nou en? Gratis dicteer ik
dit gedicht,’ zegt hij. ‘Probeer het zelf
maar te verpesten.’
Ook God kijkt volgens Perquin graag naar betere omstandigheden:
Naar één zuiver idee als dit. Een huis
met een trap naar de zee.
Zo maakt Ester Naomi Perquin haar universum voor ons toch meer dan draaglijk.
Jane Leusink
Ester Naomi Perquin – Meervoudig afwezig. Van Oorschot, Amsterdam. 37 blz. € 16,98.

http://www.tzum.info/2017/02/recensie-ester-naomi-perquin-meervoudig-afwezig/

woensdag 18 januari 2017

Interview in literair tijdschrift Liter

In de winterLiter, de laatste van 2016, een fijn interview met Mart van der Hiele en Menno van der Beek, collega-dichters. Het omslag is natuurlijk van de hand van Steven van der Gaauw die in 2003 ook Mos en gladde paadjes en in 2005 Erato zo schitterend voor zijn rekening nam.
Wanneer ik ben gaan schrijven, vroegen ze als eerste. Bijna iedereen vraagt zich dat af bij zo'n laat gedebuteerde. Dus: allereerst toen ik uit het ouderlijk huis vertrok en een jaar lang als leerling-verpleegkundige werkte in wat toen nog het Diakonessenziekenhuis van Nijmegen was. Inderdaad, je moest zwarte nylons aan met een naad van achteren, zwarte schoenen, een kap op je hoofd en een uniform met wit schort tot over je knieën. Je sliep in de Til, de verpleegstersbarak. Aan de wanden van mijn kamertje had ik gedichten opgehangen, ik herinner me 'Het stenen kindje' van Nijhoff, en reproducties van schilderijen, een portret door Velasquez. Van Vasalis leerde ik 'De clown' uit mijn hoofd. Ik schreef voor het eerst ook zelf, maar dacht dat ik eigenlijk meer een lezer was. Op de afdeling joeg een klassiek strenge hoofdzuster achter je aan. Ik voelde me ongelukkig. Ik wist niets van studeren, dat kwam in ons milieu niet voor, je ging naar kantoor en als je koppig was ging je de verpleging in. Ik was koppig, zo koppig dat ik het Nijmeegse  diaconessenhuis koos in plaats van het Arnhemse, wat niet zo voor de hand lag omdat we in Nijmegen niemand kenden. Nijmegen, dat was aan de overkant, over de grote rivieren.
Toen ik eens, op een vroege dienstochtend, meer naar de afdeling strompelde dan liep, wist ik zeker dat ik die nacht mank was geworden. Op de afdeling, chirurgie, paniekerig in het kille neonlicht, zag ik pas de twee verschillende schoenen die ik in alle vroegte had aangetrokken, eentje met een platte en eentje met een hoge hak, een zwarte en een bruine schoen. Aangezien ik toch al maanden verscheurd werd tussen hier, daar, veraf, dichtbij, eeuwige liefde of niet, besloot ik ter plekke dat het welletjes was, een baan in de verpleging was niets voor mij. Bij het afscheid na het eerste jaar, zei dezelfde zuster dat er uit mij nog een goede hoofdzuster had kunnen groeien.
Dat was 1968.
Later, na de studie Nederlandse taal- en letterkunde, toen er al een soort carrière dreigde bij een Amsterdams lyceum en ik die ik gemakkelijk bleek te kunnen afbreken en inruilen voor een dorp op het weidse Groninger Hogeland, een gezin met kinderen en een oude, zowat van de grond af aan op te knappen kop-hals-rompboerderij met aan te leggen tuin en groentetuin, kippen en konijnen. Boven dat alles altijd die luchten. Het schrijven vond voornamelijk in het hoofd plaats. Soms zei ik dat ik alleen nog maar boodschappenlijstjes schreef.
Dat was 1979.
Achter de boerderij, vroeger de bakkerij van het dorp, stond de molen, naast de molen het pakhuis. In het pakhuis woonde een vriendin, ook uit Amsterdam, ook van het Instituut voor Neerlandistiek. In de schuur van de boerderijromp bevond zich nog de brede, metersdiepe bakkersoven, waarboven zich de rijskamer bevond. De keuken bouwden we om de oven heen, in de winter stookte je daar complete bomen in en werd de tussenmuur naar de badkamer warm. Ik denk vaak dat ik in dat kleine dorp waar onze kinderen geboren werden de gelukkigste tijd van mijn leven heb doorgebracht.
Maar er moest wel een rijbewijs gehaald worden, want hoe je het ook wendde of keerde, dat was wel de eerste stap die je moest zetten als je jezelf weer uit dat van alles en iedereen, ja ook god, het was een rood arbeidersdorp, verlaten gehucht wilde graven. Ik schreef voornamelijk dagboekachtige aantekeningen en 's avonds de mooiste college-dictaten, ik was kunstgeschiedenis aan de RUG gaan studeren.
Dat was 1984.
En kort daarop in 1985, toen zowel mijn vader als de vriendin van het pakhuis beiden binnen een jaar tijd overleden. Ik schreef gedichten op de met volle boekenkasten behangen bovenverdieping van het pakhuis van de vriendin, zolang dat tenminste niet verkocht was.
De voettocht, zeg maar gerust pelgrimage, ondernam ik in 1998, naar Santiago de Compostela.  Ja, ook toen ben ik wederom serieus gaan schrijven.